IJsland   info

vlag van IJsland wapen van IJsland

Officiële landstaal: IJslands
Hoofdstad: Reykjavik
Regeringsvorm: Parlementaire republiek
Staatsvorm: Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Staatshoofd: President Ólafur Ragnar Grímsson
Regeringsleider: Premier Sigmundur Davið Gunnlaugsson
Democratie-index: 9,65 (volledige democratie)
Religie: Luthers 85 procent
Oppervlakte: 103.000 km² (2,7% water)
Inwoners: 281.154 (2000), 315.281 (2013), (3,1 / km² (2013)
Volkslied: Lofsöngur
Munteenheid: IJslandse kroon (ISK)
UTC: +0 uur







Ligging van IJsland tussen Noorwegen en Groenland



 Ringweg N1 op IJsland: vrijwel geheel geasfalteerd, de overige wegen bestaan meestal uit gravel


 Belangrijkste trekkings op IJsland

IJsland
IJsland is een eilandstaat ten noordwesten van het Europese vasteland. IJsland wordt omringd door de Atlantische Oceaan in het zuiden, de Straat van Denemarken (tussen IJsland en Groenland) in het westen en de Groenlandzee, een deel van de Noordelijke IJszee, in het noorden. Het noordoosten van het land ligt net onder de poolcirkel. Deze loopt precies over het kleine eiland Grímsey, dat tot IJsland behoort.
IJsland had een bevolkingsaantal van 328.452 per 1 januari 2011 en een oppervlakte van 103.000 km2. Daarmee is IJsland het dunstbevolkte land van Europa. De hoofdstad Reykjavik ligt aan de zuidwestkust op 64°08' noorderbreedte en is daarmee 's werelds meest noordelijke hoofdstad. IJsland zelf is het meest westelijk gelegen land van Europa.
Het eiland is geologisch zo'n 20 miljoen jaar geleden ontstaan door vulkanische activiteit in de Atlantische Oceaan; het bleef echter lange tijd onbewoond. Volgens de overlevering was de Noor Ingólfur Arnarson, die in 874 arriveerde, de eerste permanente bewoner van IJsland. Nadat het eiland vanaf 930 als het IJslands Gemenebest enkele eeuwen onafhankelijk was geweest, viel het in de eeuwen daarna onder bestuur van achtereenvolgens het Koninkrijk Noorwegen, de Unie van Kalmar, Denemarken-Noorwegen en Denemarken. In de 19e eeuw groeide het nationaal bewustzijn, maar pas sinds 17 juni 1944 is IJsland geheel onafhankelijk.
Het huidige IJsland is een parlementaire republiek naar Scandinavisch model; in 2007 en 2008 leidde het land de index van de menselijke ontwikkeling. Het merendeel van de IJslanders stamt af van Noorse en Ierse kolonisten en de cultuur van IJsland is sterk beïnvloed door de Noorse cultuur. Het IJslands behoort tot de Scandinavische talen, maar wijkt wel af van de talen van het Scandinavische vasteland.
Lees hieronder verder



Geschiedenis
De aanwezigheid van een eiland ten noordwesten van de Britse Eilanden was reeds bekend of vermoed door de Grieken en Romeinen. Het "Ultima Thule", waar de Romeinen in een geschrift over verhalen, gaat waarschijnlijk over IJsland, maar zekerheid daarover ontbreekt vooralsnog. Uit archeologische vondsten blijkt dat de Romeinen vermoedelijk wel voet aan wal hebben gezet, maar de eersten die langere tijd op IJsland verbleven waren waarschijnlijk Ierse monniken. Met de komst van de Vikingen verdwenen ze.
De meesten van de eerste bewoners waren van Noorse afkomst. Ze verlieten hun thuisland om aan het regime van jarl Harald Schoonhaar (of Fijnhaar) te ontkomen.
In die tijd werd er verhaald van een eiland dat nog niet bewoond was, en Flóki Vilgerðarson (ook wel Hrafna Flóki of raven-Flóki genoemd, omdat hij drie raven bij zich had die hem hielpen het onbekende eiland te vinden) besloot zijn geluk in dat nieuwe land te beproeven.




Hij vestigde zich aan een grote baai in het westen (bij Flókatóftir aan het huidige Breiðafjörður). Tijdens de eerste strenge winter verhongerde al zijn vee, en berooid vertrok hij weer, maar niet alvorens het land zijn naam gegeven te hebben: IJsland. Later kwamen via omzwervingen langs Ierland, Schotland, de Hebriden en de Faeröer (waar ze ondertussen slaven bemachtigden) landgenoten van hem op IJsland aan. De eerste Viking die zich permanent op IJsland vestigde was Ingólfur Arnarson. In 874 landde hij aan de zuidkust en omstreeks 877 vestigde hij zich aan een baai in het zuidwesten. Die plaats noemde hij Reykjavik (zie aldaar). De volgende 60 jaar werd het land volledig gekoloniseerd.



Geografie
De oudste delen van het eiland zijn 17 tot 20 miljoen jaar oud. Dit gebied ligt in het noordwesten en wordt in het IJslands de Vestfirðir (Westfjorden) genoemd. Het eiland groeit als gevolg van vulkanisme nog steeds aan. Het jongste deel is het eilandje Surtsey dat bij de Vestmannaeyjar ontstond tijdens een vulkaanuitbarsting die in 1963 begon (en slechts 3,5 jaar later eindigde).
Het eiland is hoofdzakelijk opgebouwd uit vulkanisch materiaal en gesteente, omdat het op de Midden-Atlantische rug ligt, het scheidingsgebied van een aantal tektoniekplaten die langzaam uit elkaar drijven, waardoor het onderliggende magma de kans krijgt naar de oppervlakte te komen en daar de ontstane scheuren op te vullen. Een deel van die Midden-Atlantische rug loopt van noord naar zuid door het midden van het land en verheft zich daarbij zo ver, dat het als het ware heel IJsland boven het zeeoppervlak uittilt. Als gevolg van de platentektoniek drijven sommige delen van IJsland daarbij met een gemiddelde snelheid van zo'n 1 à 2 cm per jaar gestaag uiteen. Þingvellir, zo'n 50 kilometer ten oosten van Reykjavik, is de enige plaats ter wereld waar men de scheiding van de Amerikaanse en de Europese continentale plaat kan zien. Een bijkomstigheid is dat IJsland ook nog eens op een hotspot ligt. Dat zijn plaatsen in de aardkorst waar het onderliggende magma tot zeer dicht onder het aardoppervlak kan komen. Beide fenomenen zorgen ervoor dat IJsland vulkanisch zeer actief genoemd mag worden.
Het land kent een aantal actieve vulkanen, waaronder de Katla onder de Mýrdalsjökull, het Laki-gebied, de Hekla, en het nieuwe eiland Surtsey. In april 2010 zorgde een krachtige uitbarsting van de vulkaan onder de Eyjafjallajökull voor problemen, met name voor het vliegverkeer. Andere, of slapende vulkanen zijn de schildvulkaan Skjaldbreiður, de twee Snæfell-vulkanen, Kerið, Eldborg, Hverfjall, Krafla en Askja. Daarnaast komen er pseudokraters voor, met name bij Mývatn, Kirkjubæjarklaustur en in de buurt van Rauðavatn bij Reykjavik.



Een van de belangrijkste natuurlijke fenomenen waar IJsland bekend om staat, zijn geisers. Tot ongeveer 60 jaar geleden kwamen er verspreid over heel IJsland zo'n 30 geisers voor. Bij Hveragerði en omgeving, in het Haukadalur (waar de Geysir ligt), bij Flúðir en bij Hveravellir in het noorden van IJsland lagen de meesten. Het hete water dat ze omhoog spoten was zoet, maar er zijn minstens drie geisers geweest waar dit zout (zee)water was. Eén lag in het zuidwestelijke puntje van het schiereiland Reykjanes vlak bij Gunnuhver, de andere aan de Ísafjörður in de Westfjorden en de derde niet ver van Drangsnes.
Op IJsland zijn er altijd tientallen geisers actief geweest en varieerde hun aantal ten gevolge van (kleine) aardverschuivingen van tijd tot tijd. Nieuwe geisers ontstonden, kokende waterbronnen kregen geiseractiviteit, de activiteit van andere geisers daalden (het bekendste voorbeeld hiervan is de Geysir) of verdwenen zelfs. Doordat men in de afgelopen decennia in de buurt van de geisers actief in de grond naar warmwaterbronnen is gaan boren, is het aantal geisers afgenomen.
Op dit moment is de Strokkur, die zijn waterfontein om de 5-8 minuten omhoog spuit, de enige bron op IJsland die aan de verwachtingen van een geiser voldoet. De andere geisers zijn nauwelijks meer actief of zijn door betonnen bakken afgedekt en wordt het water ervan opgevangen en voor verwarmingsdoeleinden of voor de warmwatervoorziening gebruikt.
Andere fenomenen van vulkanisme op IJsland zijn subglaciale meren (bijvoorbeeld Grímsvötn), solfataren en fumarolen, hete bronnen (de bron bij Deildartunguhver levert 180 liter kokend water per seconde en is daarmee de grootste heetwaterbron van Europa) en geothermische energiecentrales. Ook zijn alle gesteenten op IJsland, zoals basalt en basaltlava, tefra en tufsteen, vulkanisch glas, palagoniet en ryoliet, van vulkanische oorsprong. Een zeldzamer fenomeen zijn hornito's. Een voorbeeld hiervan is Tintron.



Landschapskenmerken
IJsland bestaat voor het overgrote deel uit laag- en middelgebergte, al dan niet met gletsjers bedekt, van waaruit vele rivieren naar zee stromen. Sommige daarvan vervoeren zeer grote hoeveelheden water, maar ze zijn doorgaans voor schepen onbevaarbaar door de snelle stroming.
De hoogste berg is de Hvannadalshnúkur. Deze ligt met zijn 2110 meter hoogte grotendeels verscholen onder de Öræfajökull.
Bomen komen op IJsland vooral in dwerg- en struikvorm voor, bijvoorbeeld in het natuurreservaat Þórsmörk. Alleen in het oosten van het land komt een gebied voor dat 'bos' mag genoemd worden, het 2000 hectare grote Hallormstaðaskógur. De bomen zijn daar voor het grootste deel aangeplant. Grote boomstammen die men soms langs de kust aantreft, is drijfhout dat van ver is gekomen.
Het binnenland is vrijwel onbewoond; het dichtstbevolkte gebied ligt aan de zuidwestkust rond Reykjavik.
Langs het noorden van het eiland stroomt de koude Oostgroenlandstroom, langs het zuiden de warme Golfstroom. Gekoppeld aan de wind die vaak van zuid naar noord over het eiland waait, is het klimaat in Reykjavik (zuidwest) kouder dan in Europa, maar nog steeds gematigd. In het noordelijke Akureyri daarentegen zijn de temperatuurschommelingen vanwege de vaak aflandige wind groter.
Vanaf de Vestfirðir in het noordwesten via het noorden tot aan het oosten van het land wordt de kustlijn gekenmerkt door grotere en kleine fjorden en baaien. Een aantal fjorden is in de wintermaanden alleen over het water te bereiken en is zelfs in de zomer slechts toegankelijk met een terreinauto. Dat is mede de oorzaak van de ontvolking die sinds de Tweede Wereldoorlog in dit deel van het land gaande is.



In het zuiden wordt de kustlijn gekenmerkt door een bijna volkomen afwezigheid van natuurlijke inhammen en uitgebreide spoelzandvlaktes, een resultaat van de overspoeling van de streek door het smeltwater van de Vatnajökull.
De westkust wordt weer wel gekenmerkt door brede fjorden en baaien, zoals de Faxaflói (Faxabaai) en de Breiðafjörður. De vuurtoren bij Bjargtangar nabij de vogelkliffen van Látrabjarg is het meest westelijke puntje van Europa.
De puin- en gravelwegen in grote delen van het binnenland, zoals de Kaldidalur-route, zijn tijdens de zomermaanden uitsluitend toegankelijk voor terreinvoertuigen. In de winter echter zijn deze wegen daar zelfs voor de krachtigste voertuigen onbegaanbaar en derhalve ook gesloten voor alle verkeer.
Het landschap is bergachtig. Tafelbergen wisselen af met actieve en slapende vulkanen en caldera's, waartussen (meanderende) rivieren zich een weg banen. Omdat IJsland geologisch gezien nog erg jong is en de rivieren zich nog een weg door het harde basalt moeten slijten, komen er vele watervallen voor. In het IJslands wordt een waterval "foss" genoemd. Hiervan is er een aantal spectaculair. De Dettifoss is qua watervolume de grootste waterval van Europa. Valleien werden in het verleden opgevuld door de lava van grote vulkaanuitbarstingen, waardoor er soms hele lavavlakten zijn. Een derde van alle lava die de laatste 500 jaar wereldwijd werd uitgestoten, werd op IJsland uitgestoten.
IJsland heeft vier nationale parken: het Nationaal Park Jökulsárgljúfur, het Nationaal Park Skaftafell, het Nationaal Park Snæfellsnes en het Nationaal Park Þingvellir.



Flora en fauna
Een belangrijk kenmerk van IJsland is het zeer beperkt voorkomen van bomen. Tijdens de kolonisatie zou het land wel begroeid zijn geweest, maar het is de vraag of er toen wel echte bomen voorkwamen. In meerdere saga's worden reizen naar Noorwegen beschreven die, naast de intentie om handel te drijven, voor een belangrijk deel werden ondernomen om timmerhout te halen. Wel wordt gewag gemaakt van hout sprokkelen om vuur en houtskool te maken. Aan de andere kant echter verwijzen namen als Skógarströnd (boskust) en Skógarnes (boskaap) naar de aanwezigheid van bossen (skógur betekent bos). Ook wordt in het eerste hoofdstuk van het Landnámabók (boek der landnamen) geschreven dat het land tussen bergen en de kust met bos was bedekt. De huidige bomen beperken zich tot sparren, dwergberken, dwergwilgen en kreupelgewassen. Er wordt beweerd dat het eilandje Árnes in de Þjórsá-rivier een redelijk beeld zou geven hoe het eiland er zo'n 2000 jaar geleden uit heeft gezien. Hoewel het grootste deel van het land uit rotsen, keien en arctische woestijnlandschappen bestaat, komen mossen, korstmossen en grassen veel voor. Ook komen op bepaalde plaatsen orchideeën voor. In (voornamelijk) het zuiden zijn de laaglanden gecultiveerd. Door de noordelijke geografische ligging van IJsland ligt de boomgrens al op 200-300 meter boven zeeniveau. De poolvos is het enige oorspronkelijke landzoogdier. In zee leven walvissen en aan de kust vindt men twee soorten zeehond (Halichoerus grypus en Phoca vitulina). De immigranten brachten schapen, koeien, varkens, paarden en pluimvee mee. Muizen, ratten, nertsen en konijnen zijn over het algemeen per ongeluk ingevoerd. Rendieren zijn in de 18e eeuw ingevoerd en een aantal is verwilderd en leeft in de oostelijke hoogvlakten.



De ijsbeer komt er niet voor, maar onder andere in Húsavík is een opgezet exemplaar te vinden. Deze kwam in 1969 op een ijsschots van Groenland aangedreven. Ook in de zomers van 2007 en 2008 kwamen er ijsberen aan land. Deze dieren werden echter gedood omdat ze buiten hun natuurlijke habitat als gevaarlijk voor mensen worden beschouwd.
Reptielen, amfibieën en giftige dieren, zoals schorpioenen, komen op IJsland niet voor. Wel muggen, met name waar begroeiingen bij moerassen en meren voorkomen. Mývatn (letterlijk muggenmeer) staat bekend om de vele muggen die bij windstil als wolken over het meer zweven. 's Zomers zijn er ook vlinders, die echter moeilijk waar te nemen zijn. In de schone en heldere wateren op en rondom IJsland komt zeer veel vis voor, zoals zalm, forel, platvis en kabeljauw.
IJsland is een belangrijk biotoop voor ontelbare vogels en vogelsoorten. Vele soorten eenden en ganzen komen er voor, naast zeevogels, waadvogels en zeldzame roofvogels zoals de sneeuwuil. De Wilde Zwaan (Cygnus cygnus) is zeer algemeen in Reykjavik. Op IJsland komen zowel overwinteraars voor als vogels die het als rustplaats, broedplaats of foerageerplaats gebruiken. Zo komt de papegaaiduiker in groten getale (60 procent van de wereldpopulatie) voor. Daarnaast komt ook de zeekoet veel voor langs de klifkusten.
In door warmwaterbronnen verwarmde kassen worden planten, bloemen, groenten (onder andere tomaten, komkommers en paprika's) en fruit (onder andere druiven en sinaasappels) geteeld. De belangrijkste regio's met kassenteelt zijn in Zuid-IJsland bij Hveragerði en de geothermale gebieden rond Reykholt (Borgarfjörður) in het westen en Flúðir in het zuidwesten.



Bevolking
De IJslanders zijn nakomelingen van de Vikingen, vermengd met Schotse en Ierse immigranten. De meeste buitenlanders zijn Denen. Meer dan de helft van de bevolking leeft in Reykjavik en omgeving.
In de periode 1750 tot 1850 lag de bevolking van IJsland stabiel op circa 50.000 personen. Nadien trad een geleidelijke uitbreiding op tot ongeveer 75.000 tegen het einde van de 19e eeuw om vandaar te versnellen en op 1 januari 2011 telde het land 328.452 bewoners, bijna gelijk verdeeld over mannen en vrouwen. Het aandeel van de bevolking tussen 0 en 14 jaar was 20,9%, tussen 15 en 64 jaar 66,8% en tenslotte was 12,3% van de bevolking 65 jaar en ouder[12].



De levensverwachting bij geboorte lag in 2010 op 79,5 jaar voor mannen en op 83,5 jaar voor vrouwen. Het aandeel buitenlanders was 6,6%.
Geslachtsnamen worden op IJsland bijna niet gebruikt: de IJslanders bedienen zich van patroniemen, zoals 'Karlsdóttir' ('dochter van Karl') of 'Grímsson' ('zoon van Grímur') (zie ook: IJslandse namen). De voornaam is nog altijd belangrijker dan het patroniem: in telefoonboeken en andere alfabetische persoonslijsten wordt men op zijn voornaam gerangschikt.



Godsdienst
In IJsland kent men vrijheid van godsdienst. De Evangelisch-Lutherse Kerk van IJsland is de staatskerk. In het nationaal register wordt altijd bijgehouden welke religieuze overtuiging men heeft. Ongeveer 5 procent van de bevolking is rooms-katholiek. Van 1996 tot 2009 was de Nederlandse bisschop Jo Gijsen bisschop van Reykjavik.
Ofschoon de meerderheid van de bevolking christelijk is, gaan de meeste IJslanders niet met regelmaat naar de kerk. De meesten hebben liberaal-christelijke opvattingen.



In 2004 gaf dit het volgende beeld:
  • Evangelisch-Lutherse Kerk van IJsland: 85% van de bevolking
  • Vrije Lutherse Kerk van Reykjavik en Hafnarfjörður: 3,6%
  • niet aangesloten bij een religieuze groepering: 2,4%
  • Rooms-katholieke Kerk: 5%
  • anders christelijk: 6,5%
  • anders (waaronder volgelingen van de Ásatrú-godsdienst): 1%
  • Islam: 0,2%


  • Onderwijs en taal
    De IJslanders spreken IJslands als moedertaal. IJslands is te kwalificeren als Oudnoors. Buiten IJsland wordt de taal niet gesproken. Daarmee komt het aantal sprekers van het IJslands rond de 320.000. IJslands is een Noord-Germaanse taal. De IJslandse taal is verwant met Faeröers, Noors, Deens en Zweeds.
    Het IJslands kwam in de 9e eeuw met de Noormannen naar IJsland, deze Noormannen spraken Oudnoors. Op het Europese continent heeft het Noors veel veranderingen ondergaan, onder andere door invloeden van het Plattduits. Zo heeft het moderne Noors ten opzichte van het Oudnoors minder naamvallen, ook is de grammatica eenvoudiger. Deze veranderingen gingen voorbij aan de Oudnoors sprekende IJslanders, het Oudnoors dat in IJsland gesproken wordt is sinds die 9e eeuw weinig veranderd. Daarmee is het moderne IJslands een taal die sterk lijkt op het Oudnoors. De IJslanders zijn trots op hun taal en willen niet dat de taal vervlakt. Nieuwe woorden die nodig zijn om technologische of andere ontwikkelingen aan te duiden worden meestal gemaakt door bestaande IJslandse woorden te combineren. Er bestaat zelfs een instituut dat hierop toeziet.



    De IJslandse taal maakt gebruik van het Latijnse alfabet aangevuld met een aantal lettertekens. Het alfabet bestaat uit 36 tekens. De "Dag van de IJslandse Taal" wordt jaarlijks gevierd op 16 november: de geboortedag van de IJslandse dichter Jónas Hallgrímsson.
    Vanaf hun achtste of negende jaar leren kinderen Engels als tweede taal. Ook Deens wordt veel gesproken.
    De grootste instelling voor hoger onderwijs is de Universiteit van IJsland, die zijn grootste campus in het centrum van Reykjavík heeft. Andere scholen die onderwijs geven op universitair niveau zijn de Universiteit van Reykjavík, de Universiteit van Akureyri, de Landbouwuniversiteit van IJsland bij Hvanneyri en de Bifröst Universiteit.

    Bron Wikipedia

    terug naar boven